Rond de Paasdagen ben ik, voor het eerst sinds mijn vertrek naar West-Afrika afgelopen september, twee weken terug geweest naar Nederland. Op vakantie in eigen land, ik vond het maar een vreemd idee.

Dat voorgevoel bleek te kloppen, want vreemd heb ik me regelmatig gevoeld, zo tijdelijk terug achter de dijken. Om te beginnen: mijn volle verblijf lang heb ik in Nederland geen wolk gezien. Niets dan stralende zon. Met temperaturen rond de 27 graden was Amsterdam zelfs even de warmste stad van Europa. De wonderen zijn de wereld nog niet uit. Of zou het toch gewoon de klimaatverandering zijn, en komt de Hollandse Costa del Sol er daadwerkelijk aan?

Enfin, het weer was niet de voornaamste bron van mijn omgekeerde cultuurschok. Dat was (het gebrek aan) sociale omgangsvormen. Zo was daar de ijzingwekkende stilte in de trein waarin ik van Schiphol naar Amsterdam Centraal zweefde. Iedereen in de volle coupé was verdiept in leesvoer, allerhande electronische apparatuur of de voorbij zoevende polder buiten. Niemand besteedde ook maar de geringste aandacht aan elkaar. Nogal een verschil met het Afrikaanse openbaar vervoer, waar muziek uit mobiele telefoons de herrie brakende speakers van het voertuig zelf proberen te overstemmen, terwijl Jan en alleman brullend poogt met elkaar in gesprek te blijven. West-Afrikanen houden van contact en van lawaai, Noord-Europeanen blijkbaar minder. Daarentegen zat het vlekkeloos Kermit-groene nepleer van de NS dan wel weer stukken lekkerder dan de verrotte bankjes die in Afrikaanse bussen je zitvlak tergen.

Op straat in Amsterdam hield mijn verbazing aan. Lopend van het station naar het adres waar ik sliep – ik weiger mij al jaren te onderwerpen aan de woekerprijzen van de Amsterdamse Taxicentrale – werd ik niet één keer aangesproken. Gekker nog, oogcontact maken met mijn haastig voorbij fietsende stadsgenoten lukte ook nauwelijks. Tamelijk ondenkbaar in West-Afrikaanse steden, waar je op straat voortdurend wordt aangeklampt. Niet dat het nou altijd even plezierig is om voor de veertiende keer een stel Afrikaanse maskers – Niet duur, mon frère, echt eerlijk waar geheel niet duur – onder je neus geduwd te krijgen, maar de olijke blikken, warme begroetingen en spontane gesprekken zijn wél heel leuk. Ik voelde mij in Amsterdam, genegeerd als ik werd, bijna een beetje beledigd.

Voor de volledigheid: er waren in Nederland ook bijzonder prettige verrassingen. Nog afgezien van culinaire hoogtepunten als volkoren brood met oude kaas, was het bijvoorbeeld een aangenames sensatie dat alles zo goed functioneert. Het openen van een internetpagina: gegarandeerd bliksemsnel. Electriciteit: 24 uur per dag aanwezig. Afspraak in de kroeg (die had ik ook best gemist, trouwens) met vrienden: niemand meer dan tien minuten te laat aanwezig. Ik zou de gemiddelde West-Afrikaanse stedeling ook best eens willen laten zien hoe ontzettend schoon en opgeruimd Nederland is.

Niettemin ligt Afrika’s aantrekkingskracht voor mij deels juist ook in zijn rommelige onvoorspelbaarheid. Dus toen ik bij terugkomst in Dakar op het vliegveld zoals gewoonlijk bijna onder de voet werd gelopen door een horde taxichauffeurs, en ik daarna in de taxi waarin ik gesleurd was en waarvoor ik teveel betaalde mocht genieten van een dolenthousiast betoog van de chauffeur over het Nederlandse voetbal, toen dacht ik alleen maar: goh, toch wel erg leuk om weer terug te zijn in Afrika.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief