Met pijn in mijn hart kijk ik naar de beelden op de tv van huilende kinderen in Gaza. Verward kijken ze om zich heen. Ze zijn angstig, de inslagen houden maar niet op. Als opgejaagde diertjes beseffen ze dat ze nergens meer veilig zijn. De grenzen met de buurlanden zijn afgezet. Opgesloten zitten ze. Niemand neemt het voor ze op. Wie zal het oorlogskind redden?

Het aantal doden loopt op. Ik hoor een verslaggever zeggen dat één op de vijf mensen die omkomt kind is. Ik zie zelfs een babylijkje tussen de brokken stenen liggen.

“Who will save the war child baby?”, vraagt de Ierse popgroep de Cranberries zich vertwijfeld af in hun liedje “War Child”. Niemand. In een oorlog zijn de kinderen aan zichzelf overgeleverd. Niemand redt ze. Niemand beschermt ze. Ook de VN-kinderorganisatie, de VN-ambassadeurs of de hoogste baas van de VN niet. Zinloze organisaties voor kinderen in een oorlog. Loze praatjes, loze beloftes. Verder dan in dure zaaltjes vergaderen en vervolgens de oorlog voor de microfoon veroordelen komen ze niet.

Heel wat geesten van kinderen zijn al vergiftigd door de oorlog

“War child, victim of political pride”, zingen de Cranberries. “Who controls the key?” Op de BBC komt een twaalfjarig kind in een kamp ergens in het Midden-Oosten aan het woord. Tot voor kort bemoeide hij zich niet met politiek, omdat hij de machtsspelletjes van de wereldleiders niet kende. Natuurlijk niet. Kinderen horen te spelen. Maar sinds de huizen in zijn dorp zijn opgeblazen, familieleden en vriendjes omkwamen, weet hij wat politiek is. Hij noemt zichzelf geen kind meer, maar een Jihadi. Hij wil wraak nemen voor de mensen die omkwamen. Een kind, nu nog een oorlogskind, straks vermoedelijk een terrorist.

“Plant the seed, territorial greed. We should mind the war child”, gaat de song van de Cranberries verder. Maar heel wat geesten van kinderen zijn al vergiftigd door de oorlog. Ze hebben te veel de dood voor ogen gezien. Door de oorlog is aan hun jeugd in een klap een einde gekomen. Besef wereldleiders, zouden de Cranberries ook moeten zingen, dat het niet alleen kansloze jongeren zijn die aanslagen plegen. Maar ook jongeren met een diepe kerf op hun ziel, een oorlogstrauma.

Spelende kinderen op het strand werden getroffen door oorlogsmunitie, luidt de berichtgeving. Kan er aan beide kanten van de frontlinie geen politiemacht met witte vlaggen worden opgericht die voordat de partijen op elkaar gaan schieten, eerst de kinderen in veiligheid brengen? Want het is laf om in een oorlog kinderen te misbruiken.  

 “Who is the loser now? We’re all losers now”, luidt de conclusie van het liedje ‘War Child’. Syrië ligt grotendeels in puin, net zoals Gaza en steden in Noord-Waziristan, waar de Pakistaanse luchtmacht bombardementen op uitvoerden. De kampen waar de gevluchte families schuilen puilen uit. Miljoenen mensen, miljoenen kinderen. Ze zijn aan de bedelstaf overgeleverd.

“At times of war we’re all the losers. There is no victory. We shoot to kill and kill your lover”. Maar de geest van de ‘terrorist’ is niet gedood. Die geest is meer uit op wraak dan ooit. Hij is nu even tot zwijgen gebracht, maar binnenkort laat hij opnieuw van zich horen. “Mind the war child. We should mind the war child!". 

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
wilma2

Over de auteur

Wilma van der Maten woont in Jakarta en werkt als freelance journalist voor onder andere OneWorld, het Parool, DPD, VPRO, VRT en Elsevier.
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief