Vrienden in Nederland maken zich met de voortslepende crisis zorgen over hun baan. Kleine zelfstandigen zien hun portefeuille opdrogen of moeten langer wachten op nieuwe klussen. Iedereen in Europa lijkt zich druk te maken over zijn financiële situatie.

Zonder te bagatelliseren, in Nederland bestaat ten minste nog een sociaal vangnet. Als je in Indonesië op straat komt te staan, moet je het maar uitzoeken. Dan ben je aangewezen op jezelf of je familie. Nou moet ik zeggen dat Indonesiërs wel creatief zijn in het regelen van een nieuwe bron van inkomsten. Niemand zit er achter de geraniums te klagen, valt me op tijdens een rondgang door de stad.

Zoals Budi (23) die een paar maanden geleden plotseling werd ontslagen, een jongen die nauwelijks de lagere school heeft afgemaakt en dan liggen in Azië de banen ook niet voor het oprapen. Budi werkte voor een tuinbedrijf in Bogor.

Hij had wel een gezin te onderhouden. Hij huurde een bajai, zo’n gemotoriseerde koekjestrommel op vier wielen. Boven het oorverdovende geluid uit schreeuwt Budi dat hij nu zelfs meer verdient dan ooit, soms meer dan tweehonderd euro per maand, terwijl hij in de fabriek nog geen tachtig euro kreeg.

Bij het afscheid zegt hij niets te begrijpen van een uitkering. ‘Als ik nu geld van de overheid ontving, ging ik toch niet meer werken!’. Hij noemt Nederland een lui-lekker-land

Het is heet in de stad. Bij een kraampje bestel ik een cendol, een typisch Indonesisch drankje van kokosmelk met zoete siroop en blokjes gelei. Indonesiërs zijn er aan verslaafd.

De cendolverkoper vertelt dat hij negen jaar geleden werd ontslagen. Hij werkte in een fabriek. Maar hij was al vijftig, te oud voor de arbeidsmarkt. Hij timmerde van stukken hout een kraampje op vier wielen. Met zijn kaki lima (vijf wielen inclusief de benen van de verkoper) rijdt hij nu de buurt rond.

De Bajai’s en de Kaki lima’s bepalen het straatbeeld van Jakarta. Samen met mini-winkeltjes, de warungs, waar je kleine pakjes koffie, waspoeder en shampoo kunt kopen. Elke straat in Jakarta heeft er op de hoek wel een staan. De eigenaren raakten vaak werkloos. Ze maakten zelf zo’n houten kioskje of gebruiken het voorste deel van hun huis. Van de ruit maakten ze een luik. De hele dag zijn ze open tot vaak s’ avonds laat.

De hoogtepunten zijn voor mij de vele eetkraampjes waar de hele dag vers voedsel wordt bereid. Ik begrijp nooit zo goed dat toeristen er niet durven te eten uit angst ziek te worden. Hebben die ooit gekeken in de keuken van een vijfsterren hotel in Indonesië? De hapjes van de satéman, de soto ayam (kippensoep) of de vele soorten bakso (mie met gehaktballetjes) zijn niet te versmaden. Met zoveel heerlijke etensgeuren loopt je de hele dag het water in de mond.

Ik stop bij de Gado Gado verkoper, die Indonesische salade maakt van aardappelen, ei, boontjes, tofu en tempé, die wordt overgoten met een pittige satésaus. Verkoper Jamin is pas 21 jaar. Hij vertelt dat hij uit Malang komt, het oosten van Java. Hij maakte de lagere school niet af. Hij kon geen passend werk vinden dus besloot hij zijn geluk in Jakarta te beproeven. Zijn kraampje ziet er opvallend mooi uit. Het is gemaakt van antiek hout. Met een kleurrijk parasolletje er boven springt zijn kaki lima er echt uit.

Al die verkopers behoren tot de zogenaamde informele sector. Ze staan niet geregistreerd. Ze betalen geen belasting of hebben een vergunning. Ze vallen buiten de georganiseerde economische sector. Maar tijdens de financiële crisis in 1997 waren het wel deze warunghouders, kaki lima’s en Gado Gado-verkopers die de economie draaiend hielden.

Ik wil terug naar huis en ben op zoek naar vervoer. Onder een boom lacht een ojekrijder naar me. Dat is iemand die zijn bromfiets uithuurt als taxi. Achterop een ojek verplaatst je je het snelst door het drukke verkeer van Jakarta voor nog geen twee euro.

De ojekrijder vertelt dat hij 55 jaar is. Tot zijn vijftigste werkte hij als beveiligingsbeambte bij een bedrijf. Zijn baas vond hem toen te oud en stuurde hem weg. Een pensioen heeft hij niet. Maar hij heeft wel zijn bromfiets.

Creatieve ondernemers heb ik vandaag gesproken. Niemand die klaagt of angstig is over zijn toekomst. Indonesiërs zijn soms net van rubber, ze stuiteren met een glimlach alle kanten uit.

 

 

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
wilma2

Over de auteur

Wilma van der Maten woont in Jakarta en werkt als freelance journalist voor onder andere OneWorld, het Parool, DPD, VPRO, VRT en Elsevier.
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief