In Nederland spelen milieuorganisaties als Greenpeace of het WNF een belangrijke rol bij het onder de aandacht brengen van bepaalde onderwerpen, en had Urgenda vorig jaar de wereldwijde primeur met haar klimaatzaak tegen de Nederlandse overheid. Maar hoe zit het met dit soort organisaties in landen zonder vrije democratie, zoals China? Ik sprak hierover met Kathinka Fürst. Voor haar onlangs afgeronde promotie aan de Universiteit van Amsterdam onderzocht zij hoe het is voor milieuorganisaties in China.

Sinds wanneer bestaan dit soort organisaties in China?

“Het gaat om een relatief jonge groep organisaties, die vanaf ongeveer halverwege de jaren ’90 opkwam. Vandaag de dag zijn er ongeveer 8.000 van dat soort organisaties. Zo zijn er bijvoorbeeld organisaties opgestart door plattelandsbewoners die direct de gevolgen van vervuiling zagen en zich daar zorgen over maakten. Verschillende wetswijzigingen hebben het bestaan van deze organisaties ook wel makkelijker gemaakt, wat weer voor nieuwe soorten organisaties zorgt. Zo heeft de Chinese tak van een internationale milieuorganisaties vaak een heel specifiek mandaat; Greenpeace China zoekt bijvoorbeeld veel minder de confrontatie op dan elders. Uiteindelijk heeft de opkomst van de organisaties ook gewoon met de hoeveelheid vervuiling te maken; het zijn mensen die zien dat de overheid het niet altijd aankan en zelf een bijdrage willen leveren.”

“Ook belangrijk is dat het concept ‘niet-gouvernementele organisatie’ (NGO) in China eigenlijk niet bestaat. De ‘niet’ in de naam wordt door velen als slecht gezien, omdat het als tegen de regering klinkt. Wel zie je dat ze tegenwoordig het woord in de praktijk toch maar gebruiken, dan komt er terwijl je in het Chinees met zo’n organisatie praat ineens in het Engels ‘NGO’ tussendoor.”

Hoe gaan deze organisaties te werk?

“Er is een enorme lijst uitdagingen waar China op dit moment voor staat: snelle verstedelijking, klimaatverandering, maar ook het feit dat de politieke stabiliteit in het land voor een groot deel afhangt van aanhoudende economische ontwikkeling. Tegelijkertijd zie je steeds meer ontevredenheid over de hoeveelheid vervuiling. In de praktijk zijn er tussen die 8.000 organisaties relatief weinig die direct industriële vervuiling aanpakken. Veel meer organisaties werken aan het kweken van bewustzijn onder de bevolking: bijvoorbeeld door met scholen naar het bos gaan.”

“Veel organisaties proberen ook een soort ‘hefbomen’ in te zetten om het gedrag van bedrijven te beïnvloeden. Om druk uit te oefenen op vervuilende bedrijven zoeken ze steun bij bijvoorbeeld overheidsinstanties, multinationals, of de media omdat ze zelf maar beperkte invloed hebben. Zo was er bijvoorbeeld een organisatie die de vervuiling vanuit de elektronica-industrie aan wilde pakken, via de toeleveranciers van grote bedrijven. Die toeleveranciers hadden echter weinig zin om met de NGO te praten. De NGO heeft vervolgens uitgezocht waar dit bedrijf aan leverde; dat bleek Apple te zijn. Toen Apple vervolgens ook weinig bereidheid toonde om een dialoog aan te gaan zijn ze zich op consumenten in het buitenland gaan richten, om via hen druk op Apple en de rest van de keten te zetten."

‘Een maatschappelijke beweging in gang zetten is gewoon not done’

En de Chinese markt dan? Daar heeft Apple toch ook een belang?

“Dat klopt, maar wat mij opviel is dat Chinese milieuorganisaties eigenlijk geen gebruik maken van twee ‘wapens’ die elders wel effectief zijn gebleken: labels en boycots. Elders worden labels gebruikt om consumenten te helpen een ‘betere’ keus te maken in de winkel, en kan (dreigen met) een boycot bedrijven dwingen tot maatregelen. Boycots worden niet gebruikt omdat deze organisaties maar heel beperkt de (politieke) ruimte hebben voor hun werk. Ze zijn dan ook terughoudend om een soort ‘beweging’ te starten, dat is ‘not done’ in China; ook in het geval dat die beweging verder geen politieke agenda heeft. Verder zeggen ze dat Chinese consumenten nog niet klaar zouden zijn voor de verantwoordelijkheid van ‘ethisch consumeren’. Bovendien is de meest vervuilende industrie vaak te vinden in sectoren zonder publiek profiel, zoals de staal- of cementindustrie. De milieuorganisaties kampen echter ook met het probleem dat het publiek hun motivatie niet altijd vertrouwt. Zo kreeg die organisatie van de elektronica de vraag door wie ze werden betaald om Apple een hak te zetten.”

Hoe maakt de Chinese overheid de afweging om dit soort organisaties toe te laten? Ondermijnt het niet juist de centrale rol van de staat?

“De overheid zit in een heel lastig parket wat dat betreft. Aan de ene kant zijn er onderdelen van het overheidsapparaat die alle hulp heel goed kunnen gebruiken, omdat ze zelf simpelweg niet in staat zijn om hun rol goed uit te voeren. Zij verwelkomen de hulp van burgers en het maatschappelijk middenveld dan ook juist. Aan de andere kant zie je dat bij ministeries als binnenlandse zaken of publieke veiligheid er een veel minder positief beeld van deze organisaties heerst. Zij vrezen juist dat er veranderingen in gang gezet worden die nóg verder gaan dan het sluiten van vervuilende fabrieken of ervoor zorgen dat de vervuiling van kolenmijnen ingeperkt wordt. Ik noem de Chinese staat in dat opzicht dan ook graag schizofreen. Aan de ene kant zie je beleid om maatschappelijke organisaties te faciliteren, aan de andere kant zijn er politieke signalen en wetten om hun activiteiten in toom te houden. Dat maakt het in praktijk voor de organisaties heel moeilijk om te opereren.”

‘Chinese milieuorganisaties legitimeren de autoritaire staat juist’

“Er speelt ook nog iets anders. In het Westen bestaat het idee dat maatschappelijke organisaties in autoritaire staten het ultieme doel hebben om politieke verandering in gang te zetten. Dat zal voor sommige organisaties zeker het geval zijn. Die zullen zeggen dat voor echte milieuwinst de politieke structuur op de schop moet. Veel organisaties zien hun rol echter veel meer als het helpen van de staat, door als brug tussen de staat en de burger op te treden. Tegen ons Westerse gevoel in zeg ik dan ook wel eens dat Chinese milieuorganisaties de autoritaire staat juist legitimeren. Ze zien hun rol helemaal niet per se als kritisch, maar verlichten door hun werk eerder de druk op de regering door milieuproblemen aan te pakken. Het is dus belangrijk om als onderzoeker met een open blik te kijken.”

Kathinka Fürst promoveerde in oktober aan het Netherlands China Law Centre (Universiteit van Amsterdam) op haar proefschrift ‘Regulating through Leverage: Civil regulation in China’. Ze werkt nu als onafhankelijk adviseur in Beijing.

Bewuster geworden door dit artikel?

Onze journalistiek is toegankelijk voor iedereen en dat willen we zo houden. Met een kleine bijdrage help jij ons anderen ook bewust te maken. Alvast bedankt!

Ja, ik doe graag een eenmalige donatie!
Hoeveel wil je doneren?
670

Over de auteur

Timo Maas is onderzoeker duurzame ontwikkeling bij Kaleidos Research. In zijn onderzoek focust hij op de samenhang tussen milieu, economie …
Bezoek auteurspagina

Ik wil dat OneWorld blijft bestaan

AbonneerDoneer

Lees je bewust via onze wekelijkse nieuwsbrief