Journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld

Voordat je verder leest:

Onafhankelijke journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld kost tijd en geld. Als Vriend van OneWorld steun je voor € 4 per maand onze missie, lees je dagelijks bijzondere verhalen, ontvang je ons magazine en meer!

Ja, ik word Vriend Ik lees eerst verder

Toen Rana Plaza, een gebouw met vijf kledingfabrieken in Bangladesh, in april instortte, riep de wereld om drastische verbetering van de werkomstandigheden voor de kledingarbeiders en om compensatie voor de getroffenen. Is er iets verbeterd, een half jaar na deze ramp waarbij ruim 1100 mensen omkwamen?

Koopavond in de Kalvertoren. In het Amsterdamse filiaal van H&M loopt een jonge vrouw met twee witte hemdjes. Nee, zegt ze, ze is totaal niet bezig met waar haar kleren vandaan komen. Verderop winkelt een moeder met haar tienerdochter. De moeder kijkt altijd wel op een label om te zien waar een bloes of broek is geproduceerd, vertelt ze. "Maar dan nog weet je niets van de omstandigheden waaronder ze zijn gemaakt. Als klant is het moeilijk om te bepalen wat je beter wel of niet kan kopen." En ja, zij herinnert zich nog wel de ramp in Bangladesh dit voorjaar, toen kledingfabrieksgebouw Rana Plaza instortte.

[[{“fid”:”22269″,”view_mode”:”default”,”type”:”media”,”attributes”:{“height”:333,”width”:500,”style”:”width: 550px; height: 366px;”,”class”:”media-element file-default”}}]]

Tachtig uur
Het is een half jaar geleden dat de ramp met Rana Plaza plaatsvond. Het is het grootste ongeluk ooit in de kledingindustrie, en de media stonden er bol van. Dit mocht nooit meer gebeuren. Daar was de hele wereld het wel over eens, toen bekend werd welke ongekende tragedie zich op 24 april in Savar, een industriële voorstad van Dhaka, Bangladesh, had voltrokken. Het acht verdiepingen tellende gebouw, waarin vijf kledingfabrieken kleren produceerden voor o.a. Benetton, Primark en Mango, zeeg op 24 april als een kaartenhuis ineen. Van de ruim vijfduizend werknemers, die er dagelijks naar binnen gingen, overleefden 1135 het drama niet, en ongeveer 1500 mensen raakten gewond.

Meteen riep internationale gemeenschap op tot het aanpakken van de misère van kledingarbeid(st)ers, die onder gevaarlijke omstandigheden soms wel tachtig uur per week werken. Ook de regering van Bangladesh kwam met beloftes om slachtoffers te compenseren en fabrieken beter te controleren op (brand)veiligheid, alles om de belangrijkste bedrijfstak van het land maar draaiende te houden. Na China is Bangladesh de grootste exporteur van kleding. In de branche gaat ca. 18 miljard euro om.

Rampenreeks
Rana Plaza mocht dan het dieptepunt zijn, het ongeluk paste in een reeks van rampen. Eerder had op 24 november 2012 een brand in de Tazreenfabriek in Ashulia, eveneens een voorstad van Dhaka, 112 doden tot gevolg. En nog stopt het niet; sinds Rana Plaza zijn er zestien doden gevallen, onder andere bij een brand op 8 oktober jl. in kledingfabriek Aswad Composite Mills, in Gazipur bij Dhaka. Daarbij kwamen tien mensen om. Inmiddels is het puin van Rana Plaza goeddeels geruimd, maar hoe zit het met de plannen om de Bengaalse kledingarbeiders te beschermen en de slachtoffers te compenseren?

Handtekening
Er gebeurt wel het een en ander. Enkele weken na de brand november vorig jaar in de Tazreenfabriek, waar ook een internationaal merk als C&A kleding van betrok, stelden 35 modemerken met (internationale) vakbonden, het Accord on Fire and Building Safety op. Het bijzondere van dit akkoord is dat het echt bindende afspraken over het (brand)veilig maken van fabrieken behelst.
De bedoeling is dat zo veel mogelijk modemerken dit Veiligheidsakkoord ondertekenen. Maar vele waren eerst niet happig om dat te doen; niet duidelijk was welke kosten dit met zich mee zou brengen, nog afgezien van dat deze verplichting hun concurrentiepositie weleens zou kunnen aantasten. Maar na de ramp van Rana Plaza zetten Nederlandse kledingmerken als C&A, WE, G-Star, Zeeman, V&D en Hema alsnog hun handtekening eronder. Tot nu toe hebben honderd internationale bedrijven ondertekend. Vanaf november worden 1600 fabrieken geïnspecteerd op (brand)veiligheid.

[[{“fid”:”22270″,”view_mode”:”default”,”type”:”media”,”attributes”:{“height”:333,”width”:500,”style”:”width: 550px; height: 366px;”,”class”:”media-element file-default”}}]]

Compensatie
De slachtoffers en nabestaanden van Rana Plaza hebben inmiddels wel een beetje geld gehad van hulporganisaties en van de Ierse modeketen Primark. Ook C&A heeft intussen ook behoorlijk wat geld gegeven voor de slachtoffers van de Tazreen-brand. Door bijvoorbeeld het loon van 98 gewonde arbeiders door te betalen en anderen weer aan werk te helpen. Maar de meeste slachtoffers wachten al acht maanden op een serieuze vergoeding.

In september vond in dat licht een bijeenkomst plaats in Geneve, op 11 september voor Tazreen, op 12 september voor Rana Plaza, over het bepalen van het compensatiebedrag. Alle merken, waaronder Walmart, die zijn gelinkt aan de rampen in Tazreen en Rana Plaza, waren uitgenodigd. Op de bijeenkomst voor Rana Plaza kwamen negen van de 27 grote inkopers. Achttien merken, waaronder Walmart, Inditex (Zara), Mango, schitterden door afwezigheid.

In Geneve werd de compensatie op ongeveer 74,5 miljoen dollar (54 miljoen euro) voor Rana Plaza begroot, en voor Tazreen op 6,4 miljoen dollar (4,3 miljoen euro). Maar daarbij waren medische en psychologische behandeling nog niet meegeteld, evenmin als loonderving voor overlevenden die zonder inkomsten zijn komen te zitten, en wettelijke ontslagvergoedingen. Er lag al een verdeelsleutel waarin de modemerken voor 45 procent aan de compensatie zouden moeten bijdragen, de Bengaalse fabrikanten 28 procent, werkgeversvereniging BGMEA 18 procent en de regering van Bangladesh 9 procent.

Minister
In Nederland bekommert minister van Hulp en Handel Lilianne Ploumen zich om Bangladesh. Zij reserveerde 6 miljoen voor het driejarige Better Work Programme voor Bangladesh, dat op dinsdag 22 oktober werd gelanceerd in hoofdstad Dhaka. Dit programma van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) en International Finance Corporation (IFC) richt zich op 500 (van de in totaal ca. 5000) textiel- en kledingfabrieken in Bangladesh. Activiteiten: versterken van arbeidsinspectie, training 200 extra inspecteurs, inspectie brandveiligheid en bouwkundige inspectie.

Behalve de Nederlandse regering betaalt ook het Verenigd Koninkrijk mee, en Canada is van plan 7,5 miljoen dollar bij te dragen. Ook komt er geld van grote kledingmerken en fabrikanten. Drie miljoen euro reserveert de Nederlandse regering bovendien voor andere programma's zoals het opzetten van een kenniscentrum voor veilig werken.

Wat doet de kleding- en textielbranche?
Daarnaast wilde bewindsvrouw Ploumen zo snel mogelijk weten wat de Nederlandse kleding- en textielsector dacht te doen aan misstanden als deze. De drie brancheverenigingen MODINT, InRetail en VGT (Vereniging Grootwinkelbedrijven in de Textiel) presenteerden op 20 juni een plan van aanpak. Met dit plan als leidraad gaan de drie voor het eerst samenwerken om de kleding- en textielsector duurzamer te maken, zowel in binnen- als buitenland. Behalve Bangladesh is er ook aandacht voor productielanden als Turkije, Cambodja en Vietnam.

Ook de drie brancheverenigingen roepen hun leden op om het Veiligheidsakkoord te ondertekenen en ze gaan ervan uit dat eind 2014 vijftig procent dat heeft gedaan. Daarnaast vraagt minister Ploumen bedrijven nadrukkelijk om nu te tekenen, en noemt daarbij ook man en paard. Wie bijvoorbeeld niet hebben getekend zijn De Bijenkorf, Coolcat, Wibra en Prénatal. De branche (Nederlands aandeel in de mondiale textiel- en kledingmarkt : 1 procent) zoekt aansluiting bij internationale initiatieven of samenwerkingsverbanden. Veel van de plannen moeten nog concreet worden uitgewerkt.

{C}[[{“fid”:”22268″,”view_mode”:”default”,”type”:”media”,”attributes”:{“height”:333,”width”:500,”style”:”width: 550px; height: 366px;”,”class”:”media-element file-default”}}]]

Een nieuwe wet
Terug naar Bangladesh. De regering heeft de Labour Act, de arbeidswet uit 2006, aangepast. Maar critici, bijvoorbeeld Human Rights Watch, vinden die wijzigingen onvoldoende. Voor werknemers is het nog steeds moeilijk zich te organiseren. En ook al is de verplichting om namen van vakbondsleden door te geven aan werkgevers vervallen, fabriekseigenaren kunnen waarschijnlijk makkelijk nagaan wie van hun werknemers is aangesloten bij een vakbond. Voorheen werden die vrijwel altijd ontslagen wegens 'slecht' gedrag. Bovendien behoudt de regering zich het recht voor om stakingen te verbieden 'als die schadelijk voor de gemeenschap zijn' of 'niet het nationaal belang dienen'.

Salaris
Dan is er nog de salariskwestie. In de kledingindustrie werken zeker vier miljoen Bengalen, van wie het merendeel vrouw. Nu bedraagt het salaris van een gemiddelde werknemer/neemster in de Bengaalse kledingindustrie 3000 Taka per maand, nog geen dertig euro. Vakbonden willen dat dit bedrag wordt opgetrokken naar Tk 8.114 (76 euro), regering en werkgevers boden een loonsverhoging van 20 procent, tot ca. Tk 3.600 (36 euro), een patstelling die in september tot demonstraties en rellen leidde.

Heel misschien dat eind dit jaar in Bangladesh de minimumlonen omhoog gaan. Dat zou dan de eerste verhoging zijn sinds 2010. Over een eerlijk salaris ofwel een leefbaar loon organiseert minister Ploumen op 25 en 26 november samen met Duitsland de European Conference on Living Wages. Een leefbaar loon is voldoende om te voorzien in basisbehoeften als voedsel, kleding, huisvesting, school, medische hulp, en dan moet er ook nog iets overblijven voor niet-noodzakelijke uitgaven. Ook Schone Kleren Campagne voert campagne voor een leefbaar loon.

Fashionista
Langzaam gaan sommige zaken de goede richting op. Maar de zekerheid of een T-shirt of jurk onder redelijke omstandigheden in elkaar is gezet in landen als Bangladesh, Cambodja of Vietnam, laat nog wel even op zich wachten. "Honderd procent zekerheid daarover krijgen is sowieso moeilijk. Maar mensen verwachten dat bijvoorbeeld wel bij kleding met een keurmerk of logo", vertelt Lynsey Dubbeld, die met Mode van morgen een boek schreef over ecofashion.

Twee routes zou de fashionista volgens Dubbeld kunnen nemen naar een beetje duurzame garderobe. "De eerste is kijken naar labels zoals Fair Wear en Made-By. En winkelen bij gespecialiseerde (web)winkels. Zelfs op Wehkamp is fair fashion te vinden. De andere route is uitgaan van je favoriete merk, of winkel, of winkelstraat, en dan kijken wat Rank-a-brand of de Kledingchecker daarover melden. Je moet er net ietsje meer moeite voor doen, maar op die manier je garderobe bij elkaar zoeken is redelijk 'eerlijk' – en leuk.”

Maar duurzaamheid is volgens een recent consumentenonderzoek van GfK Retail Reports voor slechts 2 procent van de kopers het belangrijkste aankoopcriterium, vertelt Dubbeld. "In deze crisis speelt prijs een belangrijke rol. Maar dan nog blijft er een categorie consumenten die iets wil kopen dat goed is gemaakt, én bereid is daarvoor een prijs te betalen. Bovendien is het bewustzijn van de omstandigheden waaronder onze kleren worden gemaakt, door de media-aandacht na Rana Plaza zeker groter geworden."

Beeld: Asitimes, Martin de Witte, ariaski

Voor het maken van verhalen hebben we jouw steun nodig.

Ja, ik word vriend (€4 per maand)
670

Annemiek Huijerman

Annemiek Huijerman, (eind)redacteur. Leest en schrijft graag over Zuid-Azië en het Midden-Oosten, en volgt de internationale …
Profielpagina