Journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld

Voordat je verder leest:

Onafhankelijke journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld kost tijd en geld. Als Vriend van OneWorld steun je voor € 6 per maand onze missie, lees je dagelijks bijzondere verhalen, ontvang je ons magazine en meer!

Ja, ik word Vriend Ik lees eerst verder

Verpakt voedsel uit Frankrijk. Suiker en bakolie uit Ivoorkust. Tomaten uit Marokko. Er is geen land in West-Afrika dat meer consumptiewaar invoert dan Mali. En dat is raar, want er groeit hier genoeg om te verkopen of verwerken – maïs, rijst, groenten, fruit, kruiden… Het gebeurt alleen veel te weinig.

“We hebben veel last van producten die uit Azië hierheen gesmokkeld worden”, vertelt Cyril Achcar, telg uit een oorspronkelijk Libanese familie van handelaren die sinds de jaren ‘50 van de vorige eeuw actief zijn. Hij vervolgt: “Daarnaast is er veel oneerlijke concurrentie. Suiker bijvoorbeeld, dat gefabriceerd wordt in Ivoorkust en Senegal. Wij doen dat ook maar we zijn te duur.” In die twee kustlanden zijn de kosten lager. Mali nag daarnaast vanwege regionale afspraken geen extra heffingen opleggen om het verschil weer goed te maken. En de Malinese consument? Die let, zoals overal ter wereld, eerst op de prijs. 

Catastrofe

Het was ooit anders. Mali had een rits fabrieken – weliswaar onder volledige controle van de staat en niet altijd even efficiënt – maar het deed wat het moest doen: betaalbare waar maken voor de consument. 80% van die industrie is verdwenen dankzij een catastrofe die dertig jaar geleden bedacht werd bij het Internationale Monetaire Fonds in Washington: Structurele Aanpassing. In ruil voor geld moest de staat zich terugtrekken en werden de bedrijven verkocht. Acht van de tien gingen voorgoed dicht.

Wat kwam ervoor in de plaats? Import. “We zijn een natie van informele handelaren”, vat Achcar de situatie samen. Vandaar al die spullen uit het buitenland die ervoor zorgen dat Malinese producenten het nakijken hebben. Het heeft weinig zin om de handelaren daarvan de schuld te geven: die grijpen gewoon hun kans, ondanks uitspraken als, “wie spullen invoert die we hier zelf maken, sloopt banen in eigen land”. Prominente handelaren hebben geld en daarmee een warm luisterend oor in de nationale politiek.

Er zou op televisie reclame gemaakt moeten worden voor onze producten. Elke dag.

Minister voor industrie

Toch is er een beetje beweging. De club van industriëlen, waar Achcar de voorzitter van is, lobbyt al jaren voor een industriebeleid en zowaar met enig succes: “We hebben nu voor het eerst een minister voor industrie. Ik geef toe: hij heeft een onbelangrijke positie in het kabinet en zijn budget is 0,4% van het totaal. Maar het is een begin. Het opvoeden kan doorgaan.”

Met dat laatste bedoelt hij de houding van die al eerdergenoemde Malinese consument. Een andere industrieel, Hamadaou Sylla, gaf daar tijdens een enorm investeringsforum, in Bamako eerder deze maand, een voorbeeld van: “Ik fabriceer deegwaren voor in de keuken. Met de nieuwste apparatuur en volgens de strengste eisen. Wat denkt de consument als zij Made in Mali op de verpakking ziet staan? “Oh, dat kan nooit goed zijn.” Er zou op televisie reclame gemaakt moeten worden voor onze producten. Iedere dag. Laat de overheid daar eens geld in stoppen.”

Betere kwaliteit

Dumppraktijken, smokkel, oneerlijke concurrentie, een krachtige lobby van handelaren en de smaak van de consument. Ga er maar aan staan. Maar kan het? Haidara Fatoumata Bah gelooft van wel. Ze is technisch directeur van een overheidsbureau, PACAM, dat ervoor gaat zorgen dat de overtollige maïs die boeren nu verbranden of weggooien verwerkt wordt tot dierenvoedsel. “We gaan in drie regio’s productie-units bouwen die hoogwaardig voedsel gaan produceren voor vee en pluimvee. Daarmee los je dat maïsprobleem op en krijg je betere kwaliteit vlees en zuivel.” Hopelijk vertelt ze dat ook door aan de Malinese consument.

Mensen die zich in eigen land zeker zijn van de toekomst zullen zich minder snel inlaten met bijvoorbeeld terroristische organisaties

Doorzettingsvermogen

Krijgen we ook banen? Zeker, bevestigt ze: 15 duizend. Over vijf jaar moet alles draaien. Vijf jaar – dat lijkt heel lang maar is het niet. Mali’s moeizame herindustrialisering heeft een tijdshorizon die veel verder reikt. Dat geldt voor de lokale industriëlen maar natuurlijk ook voor de buitenlandse investeerders die Mali uit alle macht probeert binnen te halen. Bijvoorbeeld uit Nederland. Marina Diboma is deputy director van het Netherlands-African Business Council, de club met verreweg de grootste stand tijdens datzelfde investeringsforum waar Hamadaou Sylla zijn gal spuwde. Waarom Mali? Omdat Mali wat nieuws wil uitproberen. Niet alleen nieuwe producten zoals bij PACAM, maar ook een betere mix tussen hulp en zakendoen. “Men wil hier heel graag innoveren,” stelt ze vast, “en ik denk dat Nederlandse bedrijven daar zeker een rol in kunnen spelen.” Het gaat onder meer om duurzame energie, voedselverwerking en verpakking – waar dan hopelijk Made in Mali op komt te staan.

“Het is een kwestie van geduld en doorzettingsvermogen”, concludeert Diboma. Het gaat haar uiteindelijk om de werkgelegenheid. “Mensen die zich in eigen land zeker zijn van de toekomst zullen zich minder snel inlaten met bijvoorbeeld terroristische organisaties.” Van terroristisch geweld heeft Mali al minstens vijf jaar veel last en iedere poging om dat tegen te gaan is welkom. Let wel en nogmaals: de voorkeur hier is dat dat gebeurt onder de vlag business. Zowel Diboma, als Bah als Achcar benadrukken dat voortdurend. Aan deze laatste, de fabrikant van (onder meer) meel, bronwater en snoep de vraag of het allemaal wel levensvatbaar is wat hij wil: “Wat dacht u? Wij zijn het levende bewijs dat het kan, al bijna zestig jaar.”

Voor het maken van verhalen hebben we jouw steun nodig.

Ja, ik word vriend (€6 per maand)
IMG-BP-Ségou

Bram Posthumus

Bram Posthumus is freelance journalist die vanuit West-Afrika verslag doet. Hij maakt radioreportages voor o.a. Deutsche Welle en Voice of …
Profielpagina