Journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld

Voordat je verder leest:

Onafhankelijke journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld kost tijd en geld. Als Vriend van OneWorld steun je voor € 4 per maand onze missie, lees je dagelijks bijzondere verhalen, ontvang je ons magazine en meer!

Ja, ik word Vriend Ik lees eerst verder

Hoe komt het dat fragiele staten die een periode van conflict achter de rug hebben, vaak nog steeds in puin liggen, ook al hebben  ze miljoenen dollars aan ontwikkelingshulp ontvangen? Het verhaal van Abdirazak Faartag, tussen 2009 en 2011 lid van de overgangsregering in de fragiele staat Somalië, geeft een antwoord.

Faartag kreeg tijdens zijn periode als toezichthouder Openbare Financiën een inkijkje in de inkomsten van de staat. Zijn oordeel was ondubbelzinnig: “In die jaren maakten internationale donoren, waaronder de Wereldbank, geld over aan lokale groepen die de besteding daarvan op geen enkele manier konden verantwoorden. Dat leidde tot geldverduistering.”

Somalië telt elf miljoen inwoners en ligt in de Hoorn van Afrika. Het werd in 1960 gesticht, vanuit een voormalig Brits protectoraat en een Italiaanse kolonie. Na de omverwerping van het militaire regime van president Siad Barre in 1991 verviel het land in anarchie, om vervolgens door rivaliserende krijgsheren uiteengereten te worden. Een internationaal gesteunde regering probeerde na 2000 de controle te herwinnen. Maar zes jaar later werden de hoofdstad Mogadishu en zuidelijke delen van het land veroverd door een coalitie van islamitische shariarechtbanken, wat weer leidde tot een interventie door Ethiopische strijdkrachten.

somalie-kaart

In 2014 begon Abdirazak Faartag de ondoorzichtige Somalische staatsbegroting te onderzoeken. Van mei 2009 tot mei 2011 was hij het hoofd van de Eenheid Openbare Financiën. Aanvankelijk diende hij onder premier Omar Abdirashid Sharmarke, daarna onder Mohamed Abdullahi Mohamed, beter bekend als Farmajo, die afgelopen februari president van Somalië werd.

De eenheid werd opgezet om toezicht te houden op federale overheidsrekeningen en de centrale bankactiviteiten te coördineren. Ze werd weer opgeheven in mei 2011, nadat  toenmalige premier Farmajo weigerde het rapport te publiceren dat Faartag had voorbereid. Gedesillusioneerd besloot die toen een enkele reis Nairobi te boeken – met zijn rapport onder de arm.

Gedurende zijn tijd als hoofd van Openbare Financiën realiseerde Faartag zich dat achter de overheidsrekeningen vaak een wereld van corruptie schuilging. Sinds 2000 hadden donorlanden aanzienlijke geldbedragen aan Somalië gegeven, maar er was in de boekhouding desondanks amper een spoor te bekennen van inkomsten of betalingen. Afgezien van een periode van twee jaar werden er tussen 2000 en 2008 geen uitgaven geregistreerd in de boekhouding van de Somalische regering. Dat was een duidelijke indicatie van fraude op het allerhoogste niveau.

somalie oda

Zoals zoveel fragiele of post-conflict staten werd Somalië gekenmerkt door talloze ondoorzichtige en informele financiële circuits. In elke nieuwe regering maakte de ene na de andere clan gebruik van fondsen die bedoeld waren voor ontwikkeling en overheidsadministratie. Faartag liet zien dat niemand in de internationale donorgemeenschap verklaringen zocht voor onregelmatigheden in de staatsboekhouding, ook al waren die evident voor iedereen die zich erin wilde verdiepen.

In 2011, toen Faartag zijn rapport over de Somalische overheidsfinanciën publiceerde, kwam de internationale ontwikkelingsgemeenschap in Nairobi in het geweer. “Ze konden niet begrijpen hoe zoiets van een Somaliër kon komen, omdat het de manier waarop zij hun werk deden in twijfel trok. En dus trokken ze mijn integriteit in twijfel”, herinnert Faartag zich.

Een jaar later publiceerde de Wereldbank haar eigen rapport. Het rapport was vernietigend en bevestigde Faartags beweringen. De Somalische regering had 130 miljoen dollar aan inkomsten en bilaterale donaties verduisterd – voornamelijk geschonken door Arabische landen tussen 2009 en 2010. Er was geen spoor van het geld te bekennen in de staatsboekhouding of bij de Centrale Bank van Somalië – sectoren die beide buiten spel waren gezet door de regering en haar trawanten. Volgens Faartag brachten havenactiviteiten in Mogadishu rond 2009 tussen de 25 en 30 miljoen dollar per jaar op. Nog geen 25 procent daarvan werd opgenomen in de staatsboekhouding en ‘verdween’ vervolgens in het administratieve doolhof van de overheid.

Het rapport van de Wereldbank wees erop dat met deze inkomsten en donaties gemakkelijk twee jaar lang de salarissen voor de ambtenaren, parlementsleden, en politieagenten betaald konden worden. Nu moesten zij betaald worden door de internationale gemeenschap – namelijk verschillende bilaterale, Westerse donors.

Abdirazak Faartag
Abdirazak Faartag, Somalische klokkenluider Beeld door: France 24 English

Erger nog, de onderzoekers die het Wereldbank-rapport samenstelden waren niet in staat het mysterie te ontrafelen rondom de multilaterale hulpfondsen. Deze fondsen kwamen binnen via een rekening beheerd door de internationale auditor PricewaterhouseCoopers, en zouden ‘volledig verantwoord’ moeten kunnen worden, aldus het rapport.

Uiteindelijk zag het voormalige hoofd van de Eenheid Openbare Financiën niets van deze fondsen in de regeringsbegroting terug. De VN hadden bijvoorbeeld lokale ngo’s gemachtigd om projecten uit te voeren. Volgens de Wereldbank werd een deel van de hulp die de Bank in de periode tussen 2008 en 2009 bood, direct door lokale ngo’s uitbetaald aan gemeenschappen in Zuid-Somalië. “Dat wil zeggen”, legt Faartag uit, “in gebieden waar je niets kan doen zonder de steun van groepen die gelieerd zijn aan Al-Shabaab”, een terroristische groepering.

In 2013 hervatte de Wereldbank de financiële relaties met de Somalische regering door middel van het Multi-Partner Fonds, een constructie die ook in Afghanistan wordt gebruikt en die bedacht is om directe steun te leveren. De Wereldbank maakte zich inmiddels geen illusies meer en merkte op dat veel Somalische instellingen “zich hebben toegelegd op het onttrekken van geld” aan fondsen in hun land. Volgens de United Nations Monitoring Group zijn “corruptie, verduistering en fraude een nieuwe vorm van bestuur geworden”.

Hoe kies je de beste handelwijze in een dergelijke context? Om te zorgen dat het land de internationaal geaccepteerde standaarden voor ontwikkelingshulp respecteert, contracteert de Wereldbank inmiddels een externe ‘financieel manager’, een gangbare praktijk in Irak en Afghanistan. De multilaterale kredietverstrekker heeft daarnaast een indrukwekkend mechanisme opgezet om fraude te beperken – vooral waar het openbare aanbestedingen betreft.

Ondertussen is Faartag, die in 2016 een nog gedetailleerder rapport publiceerde (“Breekpunt in Somalië: hoe het falen van de staat werd gefinancierd en door wie”), allesbehalve tevreden. “Somalië zou een rijk land zijn indien al haar inkomsten in de boeken waren terug te vinden”, benadrukt hij. “De afgelopen 25 jaar gingen er miljarden dollars naar Somalië en niemand weet waar die zijn gebleven, er is ter plekke niets van te zien. Noch de regering, noch de internationale gemeenschap troffen maatregelen om het beheer van deze fondsen te corrigeren en verbeteren, en daardoor blijft alles bij het oude. Er is niets gedaan. De internationale gemeenschap kan niet vanuit Nairobi blijven werken en hooguit het vliegveld van Mogadishu aan te doen. Ze moeten ter plekke controleren wat er wordt uitgevoerd”, voegt hij toe.

Elders beginnen de mensen voor wie ontwikkelingshulp bedoeld is, de zaken in eigen hand te nemen. In Kenia heeft Nicolas Seris, programmacoördinator voor Transparency International, een merkbare mentaliteitsverandering waargenomen: “Hulpontvangers zijn meer vastberaden dan een paar jaar geleden. Ze willen ontvangen wat voor hen bedoeld is. Ook financiers eisen meer transparantie.”

Mogelijk resulteert alle commotie in het recht een overzicht te eisen van ontwikkelingshulp die voor de lokale bevolking zijn bedoeld? Die beweging begint in Afrika steeds meer van de grond te komen. In het oosten van de Democratische Republiek Congo heeft de Chirezi Stichting brigades opgericht met afgevaardigden van lokale gemeenschappen om ontwikkelingsprojecten twee keer per maand te inspecteren. Ze noteren alle problemen en de stichting legt contact met donororganisaties, namens de gemeenschappen, om daarvoor een oplossing te vinden.

In Kenia trainde Transparency International 150 afgevaardigden van lokale gemeenschappen om op projecten toe te zien. In samenwerking met zo’n veertig donoren en lokale en internationale organisaties heeft Transparency ook een internetplatform opgezet en een sms-nummer ingesteld om alle project-gerelateerde klachten te verzamelen. Het mechanisme zou gemakkelijk toegepast kunnen worden op grote multilaterale organisaties, zolang de hulpontvangende gemeenschappen goed geïnformeerd zijn over goedgekeurde financiering en ze toegang hebben tot een klachtenprocedure. Bovenal, zoals Nicolas Seris het verwoordt, “moeten mensen erop kunnen vertrouwen dat er iets gedaan wordt nadat zij het risico hebben genomen zich uit te spreken”.

Het is niet verwonderlijk dat toegang tot informatie – of het gebrek daaraan – cruciaal is voor vertegenwoordigers van zowel grote als kleine organisaties. “De autoriteiten geven ons vaak geen toegang tot contractdetails en het is moeilijk om wat er is gebeurd te vergelijken met wat er had moeten gebeuren”, klaagt Herri Bitamala, coördinator voor de Chirezi Stichting in DR Congo. “Ze doen alles wat ze kunnen om belemmeringen op te werpen en ons ervan te weerhouden tastbaar bewijs te vinden dat er geld is verduisterd.”

Nu de meeste buitenlanders niet buiten de groene zone mogen komen, is het onduidelijk of donoren kunnen controleren waar de hulp naartoe gaat.

“Sommige organisaties willen geen informatie verstrekken – vooral niet aan vertegenwoordigers van de lokale gemeenschap,” zegt Seris. “We hebben zelfs voorbeelden gezien van afgevaardigden van de gemeenschap die werden ‘omgekocht’. Ze krijgen banen aangeboden – in een politieke of technische rol – en zodra ze die aannemen, is er een mogelijke belangenverstrengeling en worden ze vervangen.”

In landen die een periode van wederopbouw doormaken is het beheren van ontwikkelingshulp een enorme opgave. Toen het Multi-Partner Fonds werd gelanceerd, feliciteerde de internationale gemeenschap zichzelf met een nieuw begin voor de ontwikkelingshulp aan Somalië. In datzelfde jaar, 2013, kondigde de net aangestelde president van de Centrale Bank van Somalië, Yussur Abrar, haar ontslag aan. Abrar zei dat haar gevraagd werd om akkoord te gaan met “overeenkomsten en transacties die in strijd waren met de aan haar toevertrouwde verantwoordelijkheden als Centrale Bankpresident”. Ze woont nu in de Verenigde Staten.

Ondertussen beginnen zelfs landen die bijdragen aan de vredesoperaties hun geduld te verliezen. Toen vredestroepen van de Afrikaanse Unie, die gefinancierd worden vanuit het Europese Ontwikkelingsfonds (als onderdeel van de Afrikaanse Vredesfaciliteit van de EU), zich begonnen terug te trekken, was het de bedoeling dat de Somalische troepen hun taken overnamen in de strijd tegen Al-Shabaab. December 2017 schortte de Verenigde Staten echter de voedsel- en brandstofhulp aan het grootste deel van de Somalische krijgsmacht op, vanwege corruptiezorgen. Ondanks honderden miljoenen dollars aan steun leek het leger niet in staat om verantwoording af te leggen over het grootste deel van de ontvangen hulp. Faartag benadrukt dat “donoren zich meer moeten laten gelden en druk moeten uitoefenen om te achterhalen waar het geld heengaat”.

Nu de meeste buitenlanders niet buiten een groene zone van het vliegveld van Mogadishu mogen komen, is het onduidelijk of donoren zelfs maar kunnen controleren waar de hulp naartoe gaat. Druk uitoefenen is niet eenvoudig, zelfs niet voor internationale instituties.

Vanuit Washington beschrijft Steve Zimmerman, Wereldbank INT Directeur Bedrijfsvoering, de context in kwetsbare en post-conflict staten als een “enorme uitdaging voor ons, in de zin van preventie van misbruik en handhaving van de regels”. Dave Fielder, Externe Onderzoeksdirecteur voor de vice-president Integriteit, voegt toe dat er “ter plekke situaties zijn waarin de veiligheid van het personeel in het geding is en waardoor we soms een missie niet kunnen uitzenden”. Zo is er sinds de overheidsdienstjaren van Faartag weinig verbeterd en ligt misbruik van hulpgelden nog steeds op de loer.

Wat doet Nederland met Somalië?
Somalië krijgt geen directe hulp – het is geen ‘partnerland’. Maar Nederland draagt wel bij aan VN-fondsen en programma’s die de stabiliteit in het land moeten vergroten en het land helpen een rechtsstaat te ontwikkelen. Zo steunt Nederland programma’s van het United Nations Office on Drugs and Crime die piraterij moeten tegengaan en de rechtshandhaving op zee (politie te water, kustwacht) bevorderen. Ook werd de bouw van een gevangenis in de hoofdstad Mogadishu gesponsord.

Daarnaast investeerde Nederland in het Somalia Stability Fund dat verschillende hulpgevende landen samen hebben opgezet. Dat heeft volgens Buitenlandse Zaken geleid tot ‘betere toegang tot justitie door middel van alternatieve conflictoplossingsmechanismen’. Nederland heeft zich actief ingezet voor de mensenrechten in Somalië en was medevoorzitter van een werkgroep onder de in 2013 gesloten New Deal for Somalia, die zich bezighield met de rechtsorde.

Met alle activiteiten in Somalië en buurland Somaliland was in 2016 6,5 miljoen euro gemoeid. De resultaten volgens de website osresultaten.nl: 68 mensen die ‘verbeterde toegang tot justitie’ kregen in Somalië, en drie versterkte instellingen van de maritieme politie/kustwacht in de kuststeden Mogadishu, Bosasso en Berbera.

Dit verhaal is tot stand gekomen met de ondersteuning van het European Journalism Centre.

Voor het maken van verhalen hebben we jouw steun nodig.

Ja, ik word vriend (€4 per maand)
LS-photo

Laurence Soustras

freelance journalist

Laurence Soustras is een Franse freelance journalist gevestigd in Parijs. Ze heeft gewerkt voor Les Echos, l’Agefi en Radio France …
Profielpagina