Journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld

Voordat je verder leest:

Onafhankelijke journalistiek voor een eerlijke en duurzame wereld kost tijd en geld. Als Vriend van OneWorld steun je voor € 4 per maand onze missie, lees je dagelijks bijzondere verhalen, ontvang je ons magazine en meer!

Ja, ik word Vriend Ik lees eerst verder

Bedrijven met een lange geschiedenis pochen vaak met hun staat van dienst, om aan te tonen hoe betrouwbaar hun diensten zijn. Maar dit is slechts één kant van het verhaal: voorgangers van oude Nederlandse banken en verzekeraars waren betrokken bij slavernij. Een lange bedrijfsgeschiedenis maakt diensten niet (alleen) ‘betrouwbaarder’, maar de betrokkenheid bij slavernij ook aannemelijker.

‘Slavernijbagatellisering’

In Engeland en de Verenigde Staten is de afgelopen jaren aandacht geweest voor de betrokkenheid van banken en verzekeraars bij slavernij. Zo werd verzekeringsmarkt Lloyds of London aangeklaagd door afstammelingen van slaafgemaakten voor hun betrokkenheid bij slavenverzekeringen en publiceerde de New York Times artikelen over plantageleningen 1 en slavenverzekeringen 2die werden verstrekt door bekende Amerikaanse banken en verzekeraars. In Nederland daarentegen ontbreekt deze aandacht. Dit past in het beeld dat door een aantal historici steeds weer geschetst wordt: de Nederlandse betrokkenheid bij slavernij en de impact ervan was gering. Dit is een trend die door historicus Matthias van Rossum wordt omschreven als ‘slavernijbagatellisering’ en waar historici flink over debatteren. Door de slavernijgeschiedenis van Nederlandse bedrijven te onthullen, wordt de reikwijdte van de betrokkenheid bij en impact van slavernij pas echt duidelijk.

Een ‘rijke’ geschiedenis

Het Nederlandse bankiershuis Insinger & Co., stamvader van bank InsingerGilissen, bezat ten tijde van de afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën in 1863 ruim 1500 tot slaafgemaakte Afrikanen. De bank had op grote schaal plantageleningen verstrekt met slaafgemaakten als onderpand. Toen deze leningen niet konden worden afbetaald, confisqueerden zij de plantages, inclusief de slaafgemaakten, en werden zo slavenbezitters. Geen enkel Nederlands bedrijf bezat meer slaafgemaakten dan Insinger & Co.. Na jarenlang debat in de Tweede Kamer en onder meer een pleidooi van Albrecht Frederik Insinger voor een zo gunstig mogelijke financiële compensatie voor het bedrijf, keerde de Nederlandse overheid in 1863 300 gulden uit per ‘vrijgemaakte slaaf’ aan alle slavenbezitters.

Wisselbrief-schadeloosstelling-afschaffing-slavernij-1863-in-Sint-Maarten252c-Ministerie-van-Koloniën252c-1863-Collectie-Rijksmuseum
Wisselbrief schadeloosstelling

Insinger & Co. ontving het hoogste compensatiebedrag. In een item van AT5 pleitte historica Tamira Combrink er daarom voor om het toekomstige nationaal museum over het slavernijverleden te huisvesten in het prachtige kantoor van Insinger aan de Herengracht in Amsterdam. De bank zelf weigerde aan het item mee te werken, maar spreekt op haar website wel over een ‘rijke’ historie die teruggaat tot 1779. Hoe ‘rijk’ die werkelijk was, laten ze in het midden.

5684
Bank Insinger

Verborgen slavernijgeschiedenis

Henry-Hope-1735-1811.-Koopman-te-Amsterdam-in-1788.-Stadsarchief-Amsterdam
Henry Hope

InsingerGilissen is niet de enige Nederlandse bank die betrokken was bij slavernij. In 2006 liet ABN AMRO haar slavernijverleden onderzoeken door het onderzoeksinstituut History Associates. In sommige Amerikaanse steden is zo’n onderzoek wettelijk verplicht voor bedrijven die zakendoen met de stad. ABN AMRO is in de loop van de tijd gevormd door vele fusies. Zo is de fusie van ABN en Amro nog zichtbaar in de naam, maar andere rechtsvoorgangers zijn bijvoorbeeld Fortis Bank, Hope & Co en R. Mees & Zoonen. Het rapport van History Associates concludeert dat sommige van deze rechtsvoorgangers betrokken waren bij slavernij, maar dat het geen groot onderdeel was van de totale activiteiten. De bank rept op haar uitgebreide webpagina rondom haar 300-jarige verleden met geen woord over het rapport en de slavernijbetrokkenheid van de oudste rechtsvoorganger, R. Mees & Zoonen, die wel degelijk uit het onderzoek is gebleken.

Niet alleen banken, maar ook verzekeraars en verzekeringsmakelaars waren betrokken bij slavernij

Het rapport van History Associates is overigens niet volledig. Zo ontbreekt de slavernijbetrokkenheid van rechtsvoorganger Hope & Co. Net als Insinger & Co. verstrekte deze bank plantageleningen met slaafgemaakten als onderpand. Dankzij deze leningen groeide het aantal koffieplantages in Suriname in de tweede helft van de achttiende eeuw en konden plantage-eigenaren meer slaafgemaakten aanschaffen. Hope & Co. ontving hiervoor rente en commissies en verhandelde daarnaast alle koffie, suikerriet en tabak die werd geproduceerd door de slaafgemaakten op deze plantages.

Niet alleen banken, maar ook verzekeraars en verzekeringsmakelaars waren betrokken bij slavernij. Volgens eigen zeggen is Aon de oudste assurantiemakelaar ter wereld. In 2013 organiseerde het bedrijf zelfs een expositie om het 325e bestaansjaar te vieren. Op hun website schrijft Aon dat ‘‘de geschiedenis van Aon Nederland terug[gaat] naar 1688, de 17e eeuw. Een periode waarin ons land actief was in de handel op Oost- en West-Indië’. Hierbij wordt niet vermeld dat die koloniale handel doorspekt was met slavernij-gerelateerde activiteiten. Een van de ‘stamvaders’ die zij noemen is de Rotterdamse firma Hudig, een belangrijke verstrekker van plantageleningen.

Jongen-met-grote-stengel-suikerriet2c-Jacob-Marius-Adriaan-Martini-van-Geffen2c-in-of-na-ca.-1850-in-of-voor-ca.-1860-Collectie-Rijksmuseum
Uit de collectie van het Rijksmuseum (1860)

Verzekeren van slaafgemaakten

Een grote particuliere slavenhandelaar was de Rotterdamse firma Coopstad & Rochussen. Een van hun slavenschepen, de Willemina Aletta, vervoerde in 1768 332 slaafgemaakte Afrikanen van de westkust van Afrika naar de Nederlandse kolonie Suriname. Van deze groep overleefde slechts 305 mensen de overtocht. Hun levens waren verzekerd bij de verzekeraar Maatschappij ter discontering ende beleening der Stad Rotterdam, tegenwoordig onderdeel van a.s.r. verzekeringen.

Willemina-Aletta-17682c-verzekerd-bij-Stad-Rotterdam-Stadsarchief-Rotterdam2c-collectie-199
Willemina Aletta

Stad Rotterdam werd in 1720 opgericht en is daarmee de oudste verzekeraar van het Europese vasteland. Het merendeel van de slavenschepen van Coopstad & Rochussen, maar ook schepen van andere slavenhandelaren, werd verzekerd bij Stad Rotterdam. De website van a.s.r. vermeldt trots dat “sinds wij in 1720 onze allereerste verzekering verkochten, … wij mensen [helpen] in Nederland.” Mochten de slaafgemaakten ontvoerd worden, sterven in een storm of vermoord worden door de scheepsbemanning omdat zij in opstand kwamen, dan keerden verzekeraars circa 250 gulden per persoon uit aan de verzekerden. Dit stond gelijk met de verwachte ‘verkoopwaarde’ in de Nederlandse koloniën. Epidemieën en ‘natuurlijke sterfte’ – wat dat ook mocht inhouden – waren uitgezonderd van ‘schade’.

Slave-Ship-fragment-van-J.M.W.-Turner2c-Wikimedia1
Slave Ship van J.M.W. Turner

Impact

Door het slavernijgeschiedenis te benoemen kan het besef toenemen dat verschillende bedrijfstakken bij slavernij betrokken waren

Veel rechtsvoorgangers van oude Nederlandse bedrijven zijn betrokken geweest bij slavernij; het was onderdeel van business as usual. Als deze bedrijven hun lange geschiedenis belichten, zouden zij zich niet alleen moeten richten op het ‘glorieuze’ deel. Door hun slavernijgeschiedenis te benoemen kan in Nederland het besef toenemen dat verschillende bedrijfstakken bij slavernij betrokken waren en dat dit een grotere impact heeft gehad op de samenleving en economie dan tot nu toe wordt verondersteld.

Dit artikel komt voort uit het onderzoeksproject Slaves, Commodities & Logistics. In de loop van 2019 zullen de resultaten van de betrokken historici Tamira Combrink MA (IISG), Gerhard de Kok MA (Universiteit Leiden), dr. Pepijn Brandon (IISG) en dr. Karin Lurvink (Vrije Universiteit Amsterdam) worden gepresenteerd.

  1. Plantageleningen werden verstrekt door kooplieden-bankiers. De maximale hoogte van de lening was 5/8e van de waarde van de plantage. Uit de waarderingsrapporten blijkt dat ongeveer een derde van deze waarde uit slaafgemaakten bestond. Zij werden dus gebruikt als onderpand voor de lening. De kooplieden-bankiers brachten meerdere van deze plantageleningen onder in een zogenaamd negotiatiefonds, waar Nederlandse investeerders vervolgens in belegden. Negotiatiefondsen ontstonden in 1753 en waren enorm populair in de daarop volgende decennia. Ze waren de directe voorganger van het eerste beleggingsfonds ter wereld. Dankzij deze leningen nam het aantal koffieplantages toe en ook het aantal slaafgemaakten dat planters konden aanschaffen. ↩︎
  2. Slavenhandelaren sloten verzekeringen af op de scheepslading. Vanaf halverwege de 18e eeuw werden slaafgemaakten expliciet opgenomen in de verzekeringspolissen. Als zij ‘schade’ opliepen werd, onder bepaalde voorwaarden, geld uitgekeerd aan de slavenhandelaren. ↩︎

Voor het maken van verhalen hebben we jouw steun nodig.

Ja, ik word vriend (€4 per maand)
cuRTjpkk_400x400

Karin Lurvink

Karin Lurvink (1987) is postdoc onderzoeker aan de Vrije Universiteit (VU), waar zij werkt aan een onderzoek over de impact van slavernij …
Profielpagina

Advertentie

banneralleppo