Hoe is het om staatssecretaris te zijn in een tijd dat er mogelijk historisch in de hulp wordt gehakt? Ben Knapen reisde medio januari naar Ghana en Benin om zijn nieuwe waterplannen te bespreken. OneWorld sprak hem in het veld, buiten de Haagse kaasstolp, over zijn eerste jaar aan het roer.
Hij is niet van de dansjes met Afrikaanse rebellenleiders (Agnes van Ardenne) en draagt ook geen gebatikte shirts (Bert Koenders) tijdens een veldbezoek. Knapen, altijd gekleed in blauw overhemd met das, is op deze driedaagse waterreis in Ghana en Benin, ietwat gereserveerd, maar voorkomend.
De president van Benin, de vice-president van Ghana, ministers en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, dorpscomités en chiefs; ze krijgen allemaal dezelfde rustige handdruk.
De welkomstceremonies in de dorpen waar hij waterpompen en toiletgebouwen inspecteert, ondergaat hij uiterlijk onbewogen. Voor een ludiek ‘fotomoment’ is hij niet snel te porren. Hij lijkt meer op zijn gemak in gesprekken met professionals, die hij kritisch ondervraagt. Als hij zich bij een school toch laat strikken om een Unicef-wastafel uit te proberen, zeept hij zijn handen in met zichtbare schroom. Maar als er honderd kleuters met hun leraar als dirigent een handenwaslied zingen in hun beste Frans, is ook hij zichtbaar geroerd.
Raakt het u, wat u ziet en hoort op zo’n reis?
“Kijk, dat ze al die mensen optrommelen om te zingen en te dansen, dat is nou eenmaal de gewoonte, en dat is prachtig. Maar men legt ook bloedserieus uit waar men mee bezig is en waarom. En dat doen ze heus niet alleen met de juiste buzzwords om ons, de geldschieter, te plezieren. Nee, ze leggen ook uit waar de problemen zitten. Dat maakt indruk, want in Den Haag ben ik met cijfers en begrotingen bezig. Hier hoor ik het menselijke verhaal.”
Is water niet eigenlijk een beetje old school ontwikkelingshulp? Het klinkt niet echt sexy, praten over waterputten en waterpompen.
“Water is het domein van technici, die praten over aantallen waterpunten en rekenmodellen. Maar water is de basis voor economische ontwikkeling. Meisjes die ook tijdens hun menstruatieperiode naar school gaan, omdat er fatsoenlijke wc’s zijn waar ze privacy hebben. Vrouwen die meer geld verdienen, omdat ze bij de waterpomp makkelijk schoon water halen voor de maaltijden die ze koken. Dat raakt mij.”
Knapen presenteert zijn nieuwe waterbeleid in een politiek onzeker klimaat. Met de eurocrisis die voortdurend zijn aandacht vraagt, misschien wel een miljard euro aan bezuinigingen in het vooruitzicht en een ontwikkelingssector waarbinnen de kaarten opnieuw worden geschud, staan de verhoudingen in de coalitie en in de maatschappij op scherp.
Als we, in het vliegtuig van Accra naar Cotonou, terugblikken op zijn eerste jaar als staatssecretaris, deelt hij graag zijn waarnemingen en analyses over de nieuwe mondiale verhoudingen, maar als het gaat om krachten in zijn persoonlijke politieke speelveld laat hij zich niet in de kaarten kijken en riposteert hij het liefste met een ‘dat moet je hen vragen’.
Hulp ligt onder vuur. De PVV gooit die het liefst vandaag nog overboord. Is het verlagen van de norm van 0,7 procent van het Bruto Nationaal Product voor u bespreekbaar of gaat u er dwars voor liggen?
“Ik houd me aan de afspraken in het regeerakkoord, ook al heb ik ze zelf niet gemaakt. Dat heb ik steeds gezegd en dat blijf ik zeggen. Ik laat me dus niet verleiden tot allerlei speculaties. Dat leidt alleen maar af van de majeure operatie waar ik mee bezig ben. Met het teruglopen van overheidsinkomsten is er al een fikse bezuiniging in gang gezet, we hebben het aantal landen en thema’s waarbinnen we actief zijn verkleind. Dat moet gestroomlijnd worden en daarop wil ik mij concentreren.”
Veel Nederlanders vinden ook dat het ontwikkelingsbudget wel wat omlaag kan. Tegelijkertijd brengen inzamelingsacties zoals Serious Request duizenden mensen op de been.
“We identificeren ons veel directer als we beelden zien van mensen die lijden, dan als je spreekt over structuren. Mensen die roepen om bezuinigingen, hebben het niet over hulp aan mensen in nood. Ze willen minder structurele hulp van overheid tot overheid. Investeringen in watermanagement en delta's verbeteren ook levens van mensen, maar het effect is minder direct zichtbaar en voelbaar."
Bent u vooral aan het saneren of biedt de crisis juist ook perspectief op een nieuwe tijd met nieuwe vergezichten. Als historicus ziet u misschien een patroon.
“Ik denk niet zo in blauwdrukken en wereldbeelden. Bij mij moet je niet zijn voor The world according to… analyses. Maar het is inderdaad een boeiende tijd om staatssecretaris te zijn. De verhoudingen in de wereld veranderen snel. De lezer van OneWorld weet wel beter, maar de meeste Nederlanders denken nog steeds dat het in Afrika alleen maar ellende is. Terwijl negen van de vijftien landen met de hoogste economische groei in Afrika liggen. De olieprijs was nog nooit zo hoog, omdat in Brazilië, India en China de vraag toeneemt. Bij ons is het crisis, daar niet. Daar profiteren landen als Ghana van.”
Wat betekent dat voor de hulp zoals we die kennen?
“De nieuwe wereldverhoudingen worden nu ook zichtbaar binnen internationale samenwerking. Ghana en Benin zijn erg blij dat ze op onze lijst blijven staan, want vanwege de crisis zien ze veel westerse donoren vertrekken. Aan de andere kant, China is op dit moment al de belangrijkste partner van Ghana, met een lening van 3 miljard dollar in ruil voor olie.”
Maar laat China zich dan wel iets gelegen liggen aan onze hulpstandaarden?
“De Chinezen zien ook wel dat hun werkwijze tot kritiek leidt. Ze beseffen nu dat ze wederzijdse economische ontwikkeling moeten bevorderen, in plaats van alleen het eigen belang voorop te stellen. Ze trainen tienduizenden mensen uit Afrika in Beijing en praten internationaal mee over de toekomst van hulp.Het zijn kleine stapjes, maar ze zijn aan boord. Net als de nieuwe hulpgevers Brazilië en Mexico.
Ook Brazilië en Mexico geven al hulp aan arme landen. De klassieke Noord-Zuidhulp heeft z’n langste tijd gehad, volgens u. Wat komt ervoor in de plaats?
“In 1969 bedroeg de officiële ontwikkelingshulp (oda) van rijke naar arme landen 70 procent van alle kapitaalstromen. Vorig jaar was dat nog maar 13 procent. Vroeger draaiden internationale betrekkingen en armoedebestrijding om relaties tussen staten. Daar zijn inmiddels veel meer partijen en instrumenten bijgekomen. Denk aan charitatieve fondsen zoals het Global Fund, waarin bedrijven en vermogende particulieren deelnemen. Denk aan leningen, zoals die van China, kredietvoorzieningen of risicoverzekeringen voor partijen die willen investeren.”
Wat betekent dat voor een land als Ghana?
Als Ghana zich in dit tempo blijft ontwikkelen richting middeninkomensland, zullen onze nieuwe waterprogramma’s de afsluiting zijn van onze hulp.
Ik hoop dat Ghana over een jaar of zeven, acht zichzelf kan bedruipen en dat de contacten die we via ontwikkelingssamenwerking hebben opgebouwd, blijven voortbestaan als handels- en industriële contacten. De overheid wordt meer en meer een makelaar tussen partijen die zich inzetten voor economische ontwikkeling. De rol van Buitenlandse Zaken is dus ook veranderd. De tijd dat diplomaten voornamelijk converseerden met andere diplomaten is al lang voorbij. Onze diplomaten zijn netwerkers die zich net zo op hun gemak voelen bij maatschappelijke organisaties, ondernemers en lokale stamhoofden.”
Hoe zorg je er dan voor dat niet alleen een kleine elite profiteert van economische groei?
“Het is de verantwoordelijkheid van die elite om ervoor te zorgen dat de rest van de bevolking meelift. Je hoopt dat je van onderop een duwtje geeft om te zorgen dat zo snel mogelijk een middenklasse ontstaat. Daarmee leg je de basis van een duurzame economische vooruitgang en stabiliteit in een land. Dat is bijvoorbeeld in Maleisie het geval en dat zien we straks waarschijnlijk ook in Indonesië gebeuren.
Bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties moeten elkaar scherp houden als het gaat om duurzaamheid, verantwoord ondernemen, arbeidsomstandigheden en het creëren van kansen voor mensen om zichzelf te ontwikkelen.”
Voegen Nederlandse ontwikkelingsorganisaties daar nog iets aan toe?
“Dat is een vraag die zij zich moeten stellen als ze nadenken over hun toekomstige bestaansredenen. Het aantal serieuze, gezaghebbende maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden neemt in een hoog tempo toe. Via internet worden die steeds beter zichtbaar, ook bij ons. Na China en India is Facebook met 700 miljoen deelnemers de grootste staat ter wereld. Er zit overigens nog wel een hele wereld van verschil tussen het social media-activisme en de deskundigheid en diepgang van gespecialiseerde organisaties.”
Heeft u met de crisis in Europa eigenlijk nog wel tijd voor ontwikkelingssamenwerking?
“Hoezo?” Het lijkt me nu wel extra druk. “Ach, weet je, al waren er vijf staatssecretarissen van Buitenlandse Zaken, dan hadden ze alle vijf nog genoeg te doen. Ik moet delegeren. Ik ben tien jaar hoofdredacteur geweest (van NRC Handelsblad, red.), toen moest ik ook vooral managen en accepteren dat anderen de verhalen schreven. Je moet er vooral voor zorgen dat je een heel goed team hebt. En dat heb ik. Ik vaar op hun analyses. Uiteraard heb ik ook mijn eigen opvattingen, maar ik laat mij voeden door hun kennis en tegenspraak. Hoewel ik ook nog wel graag zelf een speech mag schrijven.”
Als staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking en Europese zaken zijn de belangen die u vertegenwoordigt vast ook wel eens met elkaar in tegenspraak. Het landbouwbeleid van de EU is berucht.
“Over het landbouwdossier bestaan veel clichébeelden. De subsidies voor Europese boeren zijn al zo goed als afgeschaft en met handelsbarrières gaat het dezelfde kant op. Het probleem is alleen dat een kleine suikerrietboer uit Barbados niet de professionele capaciteit heeft om te concurreren met een suikerbietenboer uit Frankrijk. Daar moeten we als EU die kleine boer bij helpen.”
U bent nu ruim een jaar in deze functie. Bent u al ingeburgerd op het ministerie?
“Dat zou je daar moeten vragen, maar als ik tijd heb, loop ik graag een rondje om te kijken waar mensen mee bezig zijn. De BZ’er is serieus, buitengewoon loyaal, werkt keihard en is totaal niet cynisch. Dat treft, want met cynisme heb ik zelf ook helemaal niks. Dat vreet alleen maar energie.”
In een Kamerbrief over het kennisbeleid was u vrij kritisch over kennisniveau op het ministerie.
(Verbaasd:) “Ja? Nou, ik heb er niemand mee verrast, want ik heb het vooraf uitvoerig besproken binnen het departement. We richten ons nu op minder landen en thema’s en je moet dan ook de kennis hebben om zo effectief mogelijk te zijn. Dat verhoudt zich niet met een generalistisch roulatiesysteem van diplomaten die elke vier jaar van post wisselen. Een klein aantal mensen moet meer de diepte in om die focus lonend te maken.”
Een van de hete hangijzers in de Kamerdebatten is uw idee dat het bedrijfsleven best mag profiteren van de hulp die wij geven. Voelt u tijdens deze reis de hete adem van Nederlandse waterbedrijven in uw nek die verwachten dat u met orders terugkomt?
“Ik heb er niets van gemerkt, en al was dat zo: mijn portefeuille is het ontwikkelen van economische groei hier en niet het bevorderen van Nederlandse bedrijfsleven. Daar is EL&I (Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, red.) voor. Als Nederlandse bedrijven iets verdienen, is dat mooi meegenomen. In die volgorde moeten we het zien. Dat neemt niet weg dat ik in Ghana en Benin steeds hoor dat men niet alleen behoefte heeft aan ons geld, maar ook aan onze kennis over waterbeheer. Daarom is de directeur van het NWP (een alliantie van organisaties en bedrijven die zich bezighouden met water, red.) mee op deze reis, om te kijken waar de kansen liggen. Dat vind ik heel verstandig.”
De Nederlandse ambassade in Accra heeft al een aanbesteding uitgeschreven waar Nederlandse bedrijven op kunnen inschrijven. Hoe waarborg je dan dat bedrijven niet alleen aan hun eigen gewin denken?
De bedrijven die zich inschrijven, moeten voldoen aan de eisen die wij aan het programma stellen. Daarin staat ontwikkeling van de ontvangende partij voorop. In de verhouding overheid-bedrijfsleven zie ik ook een kritische rol voor de maatschappelijke organisaties. Ik ben een voorstander van constructief wantrouwen. Die clubs moeten ook burgers bij de les houden over hun rol als consument.”
Denkt u daar zelf ook aan als u wat koopt?
“Ik moet eerlijk bekennen dat mijn vrouw nog meer een bewuste consument is dan ik. Dat is ze al sinds jaar en dag. Maar als wij tegenwoordig samen gaan winkelen, ben ik makkelijker dan eerst te verleiden om bewust te kijken naar de duurzame kant. Maar nogmaals, mijn vrouw was het al, ik ook wel, maar zij was toch altijd al meer...”
Hoe ver gaat dat?
“Ik heb geen elektrische auto, maar mijn auto voldoet wel aan de strengste uitstootnormen. Als wij in de weekends of vakanties in Friesland zijn, eten wij Koudummer boontjes.”
Maar als u Keniaanse boontjes koopt, steunt u de boeren daar.
“Ja, bij dat soort dilemma’s kan de balans anders uitvallen dan je op het eerste gezicht denkt. Ik koop op zaterdag wel eens een bosje bloemen bij mij om de hoek in Amsterdam en ik weet nu dat die bloemen op dinsdag het vliegtuig zijn in gegaan in Ethiopië of Kenia. Dat klinkt niet duurzaam, maar je bespaart wel weer op stookkosten.”
U bent uw carrière begonnen als leraar geschiedenis. Wist u toen al dit dit erin zat?
Nee. Ik heb me nooit zo beziggehouden met de toekomst. Ik heb altijd gedaan wat ik op dat moment interessant vond. Het leven heeft mij ook een beetje geleid. Maar wat ik doe, doe ik met overtuiging.”
Het lijkt me toch wel gek om ineens in een protocolaire ceremonie met een president om tafel te zitten, terwijl u vroeger gewoon met u blocnote en pen op pad was.
Tijdens officiële gesprekken probeer ik er toch achter te komen wat zo’n president denkt, waar hij zich zorgen over maakt. Ik kan wel m’n lijstje met spreekpunten afvinken, maar ik ben altijd nieuwsgierig naar wat zulke mensen drijft, what makes them tick.
What makes you tick?
(Stilte)
Ja…what makes me tick?
(lange stilte)
“Ik wil mensen meenemen in nieuwe ontwikkelingen. Dat heeft me altijd gedreven, ook als journalist. Mensen deelgenoot en vormgever maken van een volgende fase, zodat we allemaal het gevoel krijgen dat we bezig zijn om iets op te bouwen, in plaats van af te breken.”
De koffer van Knapen
“Ik neem altijd mijn hardloopschoenen mee. Of ik nou in Washington ben of Zuid-Korea, ik probeer altijd tenminste één keer te rennen. Dat maakt het hoofd fris en ik zie van alles wat ik in het officiële programma niet te zien krijg. Hoe mensen wonen, waar ze mee bezig zijn, waar ze hun eten kopen. Het helpt me om een land beter te begrijpen. Ik kan het iedereen aanraden.”


