Wij hebben het over een mondiale crisis, maar het is alleen het Westen dat in zwaar weer verkeert, betoogt publiciste Sheila Sitalsing.
Zomaar een paar beelden uit 2011:
Beeld 1:
Klaus Regling, de Duitser die aan het hoofd staat van het Europese noodfonds dat de euro moet schragen, reist eind oktober naar Beijing. Regulier bezoekje, laat zijn bureau weten. Maar iedereen die zich beroepsmatig bezighoudt met de eurocrisis weet wel beter: Regling wil geld lospeuteren bij de Chinezen, die met gemak Europa in één keer uit de problemen zouden kunnen kopen.
Meedoen mag in renminbi, laat Regling zijn Chinese gastheren nederig weten. Europa op bedeltocht naar China, bereid in lokale valuta te lenen – is er iets symptomatischer voor verval?
Beeld 2:
Gassan Diamonds, Amsterdams diamantair sinds 1945, beleefde in 2011 het beste jaar uit zijn historie. Jawel, in 2011 – annus horribilis van banenverlies, aangetrokken broekriemen, boze marsen door Spaanse en Griekse crisisslachtoffers, miljardenbezuinigingen en Occupy. De winst kwam uit China, Rusland en Indonesië.
Geen crisis daar? Ach, schamperde een Zuid-Afrikaanse econoom onlangs, ‘je bedoelt de WFC?’ De WFC, daarmee bedoelen ze in andere delen van de wereld the Western Financial Crisis – een ding dat de landen plaagt die ooit dachten dat ze de baas van de wereld waren en waar ze elders tot dusver niet zo vreselijk veel last van hebben.
Beeld 3:
September 2011, Washington. De hoogmis voor de machtigsten uit de wereld van het geld: de jaarvergadering van de Wereldbank en het IMF (Internationaal Monetair Fonds). Journalisten drommen om Brazilianen, Mexicanen en andere vertegenwoordigers van voormalige obscure probleemlanden heen. Willen ze mee betalen aan de redding van Europa? Wat gaat er volgens hen niet goed in het Westen?
In een symposiumzaaltje brengt Gao Xiqing, een der beheerders van de immense valutavoorraad van de Chinese regering, de eurocrisis terug tot een cultuurprobleem. Europeanen zijn lui (“Chinezen werken honded uur per week”) en hebberig (“Wij sparen”).
Beeld 4:
Een golf Europese gelukzoekers overspoelt Brazilië, zo maakt de immigratiedienst in december bekend. Mensen op zoek naar vooruitgang. Er zijn 70 procent meer verblijfsvergunningen afgegeven dan in 2009.
Hopeloos gevangen
Het is op dit soort momenten dat je ziet en voelt hoe de macht het Westen ontglipt, en hoe een nieuwe verdeling ontstaat op het wereldtoneel.
Europa worstelt. De Europese problemen zijn allang geen geïsoleerde, technisch-economische kwestie meer – iets met schulden en de munt. Nee, de crisis gaat veel dieper. Het is een crisis van politiek leiderschap. Europa zit hopeloos gevangen in ruzie over existentiële vragen als: tot hoe ver moet de integratie gaan, wat doen we met de natiestaat, wie van ons krijgt de macht? Binnenkort ligt ook de fundamentele vraag op tafel wat de aanhoudende bezuinigingen die Europese landen elkaar opleggen zullen betekenen voor de welvaartsstaat.
De politieke besluiteloosheid in de Unie manifesteert zich ook in Hongarije, alwaar premier Viktor Orbán relatief ongehinderd de eenpartijstaat herintroduceert en fundamentele vrijheden beknot. En wederom blijken de EU-lidstaten – Nederland incluis – niet in staat corrigerend op te treden tegen een zondige collega-lidstaat.
De Verenigde Staten zijn niet langer de evidente redder-in-nood. Die hebben genoeg aan zichzelf, met hun oplopende werkloosheid, hun uit de hand lopende tekorten, hun kwijtgeraakte triple-A-rating. Daar zijn ze nog steeds de brokstukken van de kredietcrisis aan het opruimen. Met enige regelmaat valt er een nieuw brokstuk uit de lucht.
Risicolanden
Vroeger zou ellende in het Westen een ramp betekenen voor de ontwikkelingswereld. Maar vroeger bestaat niet meer.
Tien jaar geleden muntte Jim O’Neill, hoofdeconoom bij de zakenbank Goldman Sachs, het acroniem BRIC, voor vier landen die hij een gouden toekomst voorspelde: Brazilië, Rusland, India en China. Toen besloeg het gezamenlijke bruto binnenlands product van die landen 11 procent van alles wat er op de wereld werd verdiend. Inmiddels is dat opgelopen tot een kwart.
Terwijl in Duitsland en de Verenigde Staten het inkomen per hoofd van de bevolking de afgelopen vijf jaar met nog geen 10 procent groeide, verdubbelde dat in Brazilië en China. Brazilië passeerde onlangs het Verenigd Koninkrijk als zesde economie ter wereld.
Nee, Chinese en Braziliaanse garages zijn nog niet te vergelijken met Amerikaanse, volgeplempt met auto’s, gereedschap, kerstlichtjes en allerhande rollend materieel voor de kinderen. En nee, niet in alle Indiase huiskamers staan een 42 inch platte televisie en een X Box 360.
Maar de opmars is fenomenaal.
Wat begon als een marketingterm om aandelen van ‘risicolanden’ te verkopen aan rijke klanten van Goldman Sachs, is inmiddels de paraplu geworden waaronder genoemde landen opereren op het wereldtoneel. Zuid-Afrika is aan de club toegevoegd – vandaar tegenwoordig BRICS, de S staat voor South Africa. Sinds 2009 houden ze eenmaal per jaar hun eigen BRICS-toppen. Daar passeren alle geopolitieke thema’s de revue: van klimaatverandering en voedselzekerheid tot terrorismebestrijding en handelspolitiek. In maart 2012 is de volgende ontmoeting in New Delhi.
Vaste gast
In dit gezelschap klinkt steeds luider de roep om meer formele macht op het wereldtoneel. Te beginnen bij het IMF en de Wereldbank, waar nog altijd westerse landen de dienst uitmaken.
Vroeg of laat zal het Westen toegeven – waarschijnlijk eerder vroeg dan laat.
Nog niet zo lang geleden raasden schulden- en valutacrises door Latijns-Amerika en Azië. Ze werden opgelost met Amerikaans en Europees IMF-geld en bijbehorende strenge leefregels. Tot een paar jaar geleden mocht China de handjes dichtknijpen als het mocht mee-ontbijten wanneer de G7 vergaderde. Maar als de volwassenen over zaken gingen praten, moesten de Chinezen ophoepelen. Nog steeds blijven Italië en Canada zich overigens heel aandoenlijk rekenen tot deze club van zeven belangrijkste economische machten ter wereld.
Inmiddels is China vaste gast en wordt naar Brazilië steeds eerbiediger geluisterd. 's Avonds laat, wanneer ze wat gedronken hebben, maken de hoofdrolspelers van de nieuwe wereldorde er misschien grapjes over, buiten gehoorafstand. Over de creatieve sancties die ze aan eventuele geldhulp voor Europa zullen koppelen. Over hoe ze hun ingenieurs en artsen naar Europa zullen sturen in het kader van technische bijstand. Over hoe ze ons les zullen geven in Aziatische waarden. Zeker, ook in de BRICS groeien de bomen niet tot in de hemel. De berichten dat de grote groei er voor 2012 uit is, en dat met name India teleurstelt, verbazen dan ook niet.
Waar het om gaat, is de structurele verandering die zich heeft voltrokken in de afgelopen tien jaar. Er is een groep razendsnel opkomende landen – denk ook aan Turkije, Mexico en Indonesië – die zich onafhankelijk van het Westen ontwikkelt. Dat is een cruciaal verschil met de oude afhankelijkheidsrelatie tussen arme landen en hun voormalige kolonisators, met de tijd dat handelstoegang tot de dichtgespijkerde Europese en Amerikaanse afzetmarkten essentieel was.
Onafhankelijke groeimotoren
Nu honderden miljoenen uit de voormalige Derde Wereld zijn opgeklommen naar de middenklasse, kunnen opkomende landen aan elkaar verdienen. Het zijn onafhankelijke groeimotoren geworden.
Voor een land als Turkije, dat al ruim een decennium in de wachtkamer van de Europese Unie zit, kan het kompas nu ook naar het Oosten wijzen. Want waarom zou het eigenlijk nog ambiëren lid te worden van een club die zich als Baron von Münchhausen aan de eigen haren uit het moeras tracht te trekken?
Een concreet gevolg is dat migratiepatronen veranderen. Er is de trek naar Brazilië. Amerika, van oudsher een magneet voor gelukzoekers, ziet Mexicaanse Amerikanen terugkeren naar huis. Spaanse afgestudeerden zoeken hun geluk in Chili. Chinese wetenschappers die in het Verenigd Koninkrijk waren neergestreken, zien thuis meer kansen.
De hamvraag is wat deze stormachtige ontwikkelingen zullen betekenen voor de democratisering. Uit allerlei onderzoek weten we dat er weinig landen zijn die een autocratisch regime kunnen combineren met een inkomen per hoofd van de bevolking van meer dan 10.000 dollar per jaar– met als grote uitzondering olie-exporterende landen.
Het komende decennium zal moeten uitwijzen of China en Rusland ook tot de uitzonderingen op deze regel behoren.
Foto's: Robin Utrecht


